Olivier B. Bommel (column)
Geheel in stijl van de meester, voor wie tijd geen rol speelde, ligt het zwaartepunt van de herdenkingen in de maanden oktober en november. Uiteraard is er een tentoonstelling en zijn er sprekers die ongetwijfeld het diepere zielenleven van Olivier B. Bommel gaan blootleggen. Want die is – na een aarzelende start, waarin Tom Poes de regie had – de hoofdpersoon van Toonders werk geworden.
Eigenlijk gaat de verhaallijn volgens vaste regels: Ollie (voor intimi) werkt zich in de nesten, Tom Poes haalt hem er uit en het geheel wordt besloten met een eenvoudig, doch voedzaam maal in slot Bommelstein. In die verhalen zit aardig wat maatschappijkritiek, maar eigenlijk kunnen de geschiedenisjes me niet zoveel schelen.
Het gaat mij om de figuren in het stadje Rommeldam, het toonbeeld van een normaal gesproken veilige woonplaats. Tenminste, als de schurken Bul Super en Hiep Hieper niet in de buurt zijn. Overigens woont Olivier B. Bommel niet in Rommeldam, maar een stukje erbuiten – op het adres Distellaan 13 om precies te zijn. Buiten Rommeldam is de boze wereld, een bos ‘waar de ijle lucht wordt bezwadderd door kwalijke dampen.’
Rommeldam wordt grotendeels bewoond door dieren, maar niet helemaal. Zo is de wetenschapper professor Zbygniew Prlwytzkofsky, wiens favoriete uitspraak luidt ‘Das ist ja gans onwetenschappelijk’, een mens, evenals de schilder Terpen Tijn, die alle kunst verwerpt behalve die van hemzelf omdat hij als enige de vibraties kan waarnemen. Ook Kwetal en Pee Pastinakel (een dwerg, de tuinier van het bos) zijn mensen. De conversatie tussen deze vrienden is nagenoeg onbegrijpelijk. Zo zegt Kwetal tegen Pastinakel: ‘Jij doet aan breinpluk, maar dit is de tijd van het ipsen en daarom verpop ik mijn denksels.’ Waarop de aangesprokene logischerwijs antwoordt: ‘De natuur gaat ipsen en ik ook. Dat is natuurlijk. Maar eerst moet ik de mir bergen.’
Want niet alleen wie ze zijn maar ook – en misschien wel vooral – wat ze zeggen maken de figuren tot unieke verschijnselen. Mijn persoonlijke favoriet is de trouwe bediende Joost, die dan ook niet voor niets een hond is. Die ziet zich regelmatig genoodzaakt zijn ontslag aan te bieden wanneer hij de handelwijze van Heer Olivier – als ik mij verstouten mag – zeer betreurenswaardig vindt.
En natuurlijk Bommels buurman, markies Querulijn Xaverius De Cantelaer van Barneveldt. Deze buitengewoon arrogante edele heeft als levensmotto ‘eh bien, men kan beter aan zij eigen kant van de haag blijven. Het struweel beschermt tegen het grauw aan de andere kant.’ Dat grauw is uiteraard ‘deze, eh … Bommel.’ Over het algemeen heeft de markies weinig op met zijn medemensen, getuige zijn uitspraak ‘de aarde wordt steeds platter. Een schijf, bewoond door rapalje en botteriken.’
Het voert veel te ver om alle Toonderfiguren ten tonele te voeren, maar ik wil er nog eentje noemen die mijn hart heeft gestolen en wel de voorzitter van de Kleine Club, de heet O. Fanth Mzn. De M in Mzn staat voor Mammoet vanwege zijn (voor)vader. Hij is de uitgever van de Rommelbode en als zodanig de baas van journalist Argus (een rat!), die hij op gezette tijden toevoegt: ‘Je vliegt er uit!’
Eigenlijk had ik vanmiddag een afspraak met burgemeester Dickerdack, maar die gaat niet door. De magistraat liet telefonisch weten: ‘Ik heb Bommel op bezoek gehad en nu moet ik op mijn bloeddruk letten.’ ‘
Daar zit een mooi stukje in,’ zou Argus zeggen.
Beluister hier de podcast van de column.