Instellingen

Juwelier: 'Ik wist meteen: dit is een overval'

LEIDEN - 'Toen de eerste binnenkwam wist ik het al: dit is een overval. Hij had een capuchon op, helemaal dicht en donker. En hij kwam meteen met een wapen op mij af.' De eigenaar van juwelierszaak Hasgold in Leiden staat in januari 2012 tegenover drie gewapende mannen. Hij vertelt zijn verhaal aan Omroep West.

Terwijl de eerste overvaller op de juwelier afstapt, slaan twee andere meteen met hamers de vitrines van de toonbank in. De klanten die op dat moment in de zaak zijn, grijpen elkaar verschrikt vast. Eentje valt er flauw.

De overvaller richt het wapen met gestrekte arm op het gezicht van de juwelier. 'Ik heb nog getwijfeld of ik het wapen zou afpakken. Maar er stonden klanten in de zaak. De andere overvallers hadden ook wapens en dan was er een schietpartij ontstaan, met de klanten er tussenin.'

De juwelier besluit niets te doen, om te voorkomen dat er gewonden vallen. 'Ik heb als juwelier aanvaard dat ik risico loop, maar de klanten hebben er niets mee te maken', zegt hij. 'Als een klant iets was overkomen, dat had ik mezelf nooit kunnen vergeven.'

De huid vol gescholden

Toch laat de juwelier het niet zomaar over zich heen komen. 'Ik heb hem de huid vol gescholden', grijnst hij. 'Hij had de vinger al aan de trekker, maar ze zagen aan mijn houding wel dat ik het niet zomaar zou laten gebeuren. Misschien zijn ze daarom ook zo snel weer weggegaan. Ze hadden veel meer kunnen meenemen.'

Een minuut en zeventien seconden, zo lang zit er tussen het moment dat de deur opengaat en de laatste overvaller hem weer achter zich dichttrekt. Op straat richt hij zijn pistool op voorbijgangers. 'Mensen die in de gaten hadden wat er gebeurde, hadden al dekking gezocht. Anderen renden ook her en der winkels in.'

De overvallers rennen een paar meter verderop de Kennewegsteeg in, op weg naar hun vluchtscooter. Maar de juwelier laat ze niet zomaar gaan en volgt ze. 'Ze gaan me sowieso doodschieten, dacht ik. Maar ik kon dit niet laten gebeuren.'

Beschoten

De Kennewegsteeg komt uit op de Apothekersdijk, een straat langs het water. 'Toen ik daar kwam, was ik ze uit het oog verloren. Hoe kon dat nou? Ze konden alleen maar linksaf of rechtsaf. Maar ze bleken recht voor me achter een auto te staan, daar stond hun scooter geparkeerd.'

Als ze hem aan de overkant van de straat in de gaten krijgen, lost een van de overvallers een schot. De juwelier duikt weg. Ondertussen proberen ze nog steeds hun scooter aan de praat te krijgen. Als dat niet lukt, beginnen ze langs de gracht te rennen. De juwelier weet daarbij de achterste te grijpen en slingert hem met tas en al het water in.

'Dat kon niet meer misgaan'

Een van de overvallers is hem inmiddels gesmeerd, maar de ander komt terug om zijn maat uit de gracht te vissen. Er wordt opnieuw een schot gelost. 'Toen heb ik me teruggetrokken', zegt de juwelier. 'Ik zag politie de gracht opkomen, dus ik ging ervan uit dat ze omsingeld waren. Dat kon niet meer misgaan.'

Maar de overvallers lossen ook een schot richting de politie. De autoruit sneuvelt en de agent achter het stuur geeft gas. 'Het is maar goed dat ze zijn doorgereden', vindt de juwelier nu. 'Anders waren ze echt onder vuur genomen.'

Het leidt er wel toe dat alle overvallers weten te ontkomen. Twee van hen worden later die dag opgepakt. Een derde weet te vluchten naar Amsterdam, waar hij een jaar later wordt geliquideerd.

Alles aan gort

Die avond komt de juwelier weer terug in zijn zaak, waar familieleden druk bezig zijn de boel op te ruimen. 'Dan zie je dat alles aan gort is geslagen', zegt hij.

Misschien was dat wel de reden dat hij achter de overvallers aanging. 'Als iemand je auto steelt, dan vind je dat erg. Maar als iemand voor je neus die auto met een knuppel bewerkt, dat laat je niet gebeuren. Misschien had ik anders gehandeld als ze gewoon binnen waren gelopen en spullen hadden meegenomen zonder de boel in elkaar te timmeren.'

Kogelhuls

'Eenmaal thuis trok ik mijn kleren uit en toen hoorde ik gerinkel. Het was de huls van een kogel. Die viel uit mijn kleren. Zo dichtbij was het dus geweest.'

De juwelier herinnert zich ineens dat een maand voor de overval een student Criminologie bij hem was geweest voor een interview. Wat hij zou doen bij een overval, was de vraag. 'Ik zei: Afkloppen, ik hoop dat het nooit gebeurt. Maar ik ren erachteraan. En precies zo is het gegaan.'