Instellingen

Leidse winkeliers zien Outlet Mall Zoetermeer niet zitten

De Holland Outlet Mall. (Impressie: Provast)
De Holland Outlet Mall.

LEIDEN - De winkeliers- en ondernemersverenigingen uit Leiden zien het helemaal niet zitten als de 'buren' uit Zoetermeer een grote Outlet Mall gaan bouwen. De Mall is slecht voor de vernieuwing van de middenstand in de hele regio, vinden zij.

De Leidse ondernemers, verenigd in Leiden Marketing en Centrummanagement Leiden, laten geen spaan heel van

van maandagavond om akkoord te gaan met de verdere uitwerking van de Holland Outlet Mall (HOM). 'Een onzinnig besluit met desastreuze gevolgen voor Zoetermeer en de regio waarbij het democratisch proces bovendien een schijnvertoning was', zeggen de ondernemers.

Al bij de presentatie van de tussenresultaten hebben de ondernemers en de lokale en regionale overheden aangegeven dat er in de rapporten werd gerekend met te rooskleurige cijfers en dat de (negatieve) effecten op de regio onvoldoende werden belicht. Het steekt de ondernemers dat er van deze opmerkingen in de definitieve rapporten niets is terug te vinden. 'Van afstemming met de regio is dus geen sprake', zegt André Veenboer, voorzitter van het Centrummanagement Leiden. Volgens hem had het besluitvormingsproces nog het meeste weg van een rijdende sneltrein.

'Sterk maken wat sterk is'

'Er is geen sprake van een dialoog maar van eenrichtingsverkeer en dit draagt niet bij aan een eerlijk democratisch proces', aldus Veenboer. Hij hoopt dat de provincie er nog een stokje voor steekt. 'We gaan ervan uit dat de adviescommissie voor de detailhandel van de provincie Zuid-Holland wel objectief naar de casus en de bovenregionale effecten zal kijken.'

De ondernemers stellen dat de Mall geen nieuw, innovatief concept is maar een doodlopende weg die niet bijdraagt aan het vernieuwen van de retail. Zij pleiten ervoor om met ondernemers te investeren in bestaande winkelgebieden en zo sterker te maken wat sterk is. 'Deze strategie draagt namelijk duurzaam bij aan het in stand houden van het lokale voorzieningenniveau en het versterken van de concurrentiepositie van de regio.'