Roofkunst: ook regionale musea hebben het misschien in bezit

REGIO - Gemeentemuseum Den Haag, Museum De Lakenhal en Museum Prinsenhof bezitten mogelijk kunstvoorwerpen die zijn geroofd van Joden voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dat blijkt volgens dagblad Trouw uit een inventarisatie van de website Museale Verwervingen vanaf 1933. Landelijk staat de teller op 170 kunstwerken die wellicht onder de noemer roofkunst kunnen vallen. De regionale musea bezitten er samen 25.

De Lakenhal in Leiden en Gemeentemuseum Den Haag zeggen open te staan voor erfgenamen die zich melden voor kunststukken. 'We willen altijd de dialoog aangaan', zegt Minke Schat van het Leidse museum. Anne de Haij zegt dat Gemeentemuseum Den Haag open staat voor gespreken over de herkomst van kunstobjecten. De Prinsenhof kon woensdagmiddag nog geen reactie geven.

Er zijn verschillende redenen dat de kunstwerken een problematische herkomstgeschiedenis hebben. Zo kan het zijn dat het niet duidelijk is dat Joodse verzamelaars of handelaren het object op geheel vrijwillige wijze hebben verkocht of geschonken in de periode 1933 (jaar dat Hitler aan de macht kwam) tot 1945 (einde Tweede Wereldoorlog). Ook de kunstwerken die de Nederlandse autoriteiten in beslag hebben genomen vlak na de bevrijding kunnen dubieus zijn. Dit was vaak bezit van oorlogsdelinquenten of door de Duitsers achtergelaten.

Bedenkelijke veilinghuizen in Duitsland en Oostenrijk

Daarnaast waren er verschillende twijfelachtige veilingshuizen in Duitsland en Oostenrijk gedurende het Nazi-regime. De ingebrachte kunstwerken daar bestonden herhaaldelijk uit verbeurd verklaarde goederen van Joden. Van verschillende handelaren en particulieren is daarnaast bekend dat ze in de jaren 1933-1945 vaker roofkunst hebben verhandeld. Ook Nederlandse handelshuizen lieten zich niet onbetuigd. Een voorbeeld is het Haagse handelshuis Van Marle & Bignell dat vooral in 1942 en 1943 in beslag genomen Joodse inboedel op de markt bracht.

Ook waren er anonieme schenkingen aan musea in de jaren na 1945. Vooral schenkingen die kort na de oorlog plaatsvonden en waarvan de herkomst niet duidelijk is, krijgen het kenmerk problematische herkomst.

Dubieuze schilderijen in Delfts bezit

Aan de hand van drie voorbeelden is goed te zien hoe de kunsthandel tijdens de Tweede wereldoorlog eraan toeging. Zo heeft het Delftse museum Prinsenhof twee dubieuze schilderijen in het bezit. Het schilderij Allegorie op de gerechtelijke moord op Johan van Oldenbarneveldt is er daar één van. De maker is niet bekend. Het schilderij kwam tijdens de Tweede Wereldoorlog in handen van het Haagse handelshuis Van Marle & Bignell. Hoe het daar terecht is gekomen, is onbeken.Het is daarnaast niet te herleiden hoe het in 1950 in het bezit van Prinsenhof kwam.

Het Leidse museum De Lakenhal heeft vier kunstwerken die wellicht onder roofkunst vallen. Eén daarvaan is een stilleven van Jacob van der Merck. De kunstenaar overleed in 1664 in de Sleutelstad. Zijn schilderij heeft sindsdien een groot gedeelte van West-Europa gezien. In november 1935 kwam het schilderij aan bij handelshuis Mandelbaum & Kronthal uit Berlijn. Dit bedrijf was in juli van dat jaar ontdaan van alle niet-Arische invloeden. Onbekend is hoe het schilderij in het bezit kwam van het Duitse veilinghuis. Nadat het daar onder de hamer was gegaan, hing het schilderij in Stockholm en Amsterdam, totdat het vlak voor de oorlog in De Lakenhal terechtkwam.

Aanspraak erfenis

Het Gemeentemusem Den Haag heeft maar liefst negentien van de 170 bekende verdachte kunstwerken in zijn bezit. Eén daarvan is nu ook in het museum te zien. De rest staat in de depots. Het gaat daarbij om een object van aardewerk met de naam Albarello, dat het museum al sinds 1936 in bezit heeft. Het werd gekocht bij een veiling van Julius Böhler in München. Deze had hem uit de collectie van de joodse verzamelaar Margarete Oppenheim.

De familie Oppenheim woonde in de villa Oppenheim aan de Wannsee. Dat huis werd later bekend omdat de nationaalsocialisten er de Wannseeconferentie hielden. De weduwe Margarethe Oppenheim overleed in september 1935. De collectie werd in 1936 bij Julius Böhler in Berlijn geveild. Onduidelijk is of de erven Oppenheim ooit enige aanspraak op het tegoed van deze veiling hebben kunnen laten gelden.

LEES OOK: Museum De Lakenhal: 'Gaan uit van vondst echte Rembrandt'

Deel dit artikel: