Van Olympisch turngoud tot de dood in concentratiekamp Sobibor

DEN HAAG - Tijdens de zomerweken brengt de sportredactie van Omroep West een reeks verhalen die dieper ingaan op de sportgeschiedenis van onze regio. Deze zesde aflevering gaat over Judik Simons. Ze was reserve bij de turnploeg die goud won op de Olympische Spelen van 1928. Op 38-jarige leeftijd kwam er een einde aan het leven van Judik Simons. Samen met haar 3-jarige zoontje Leon, haar dochter Sonja van vijf en haar man Bernard Salomon werd ze op 20 maart 1943 omgebracht in concentratiekamp Sobibor. De geboren Haagse was met haar gezin slachtoffer van de holocaust.

Zes van de dertien leden van de gouden turnploeg van 1928 hadden een joodse achtergrond. Vijf van de zes overleefden de oorlog niet. Naast Simon, kwamen coach Gerrit Kleerekoper en de turnsters Estella Agsteribbe, Helena Nordheim en Anna Polak in een concentratiekamp aan hun einde. Alleen Elka de Levie zou de Tweede Wereldoorlog overleven.
 
In de openingsscène van de film Airplane vraagt een vliegtuigpassagier aan de stewardes of ze wat lichte lectuur heeft. Vervolgens geeft de stewardess een klein papiertje waarop de titel 'Beroemde joodse sportlegendes' staat. Een meligheid die hoort bij films waarin Leslie Nielsen de hoofdrol opeist. Toch snijdt de grap niet echt hout. Voor de Tweede Wereldoorlog was er zelfs een heuse beweging binnen het zionisme die een levenshouding geënt op sport nastreefde.

Muskeljudentum

Het zogeheten muskel judentum (gespierde jodendom) ontstond in 1898. Antisemitisme viert hoogtij in met name Centraal- en Oost-Europa. Pogroms vinden plaats en door wetgeving zijn joden vaak tweederangsburgers. Vooral het beleid van de Weense burgemeester Karl Lueger is kenmerkend voor het antisemitisme van die tijd. Budapest noemt hij Judapest. Hitler zou later verklaren dat hij geïnspireerd was door de oerconservatieve burgervader.
 
In die cultuur ontwikkelde Max Nordau een tegenbeweging. Hij richtte in 1897 de World Zionist Organisation op en sprak op het congres van die bond over 'een nieuw soort jood'. Niet meer de kromgebogen intellectuele jood, maar de gespierde joden moesten de maatstaf worden. Dit was zijn antwoord op het antisemitisme dat al enkele decennia als een donkere bui boven de joodse Europese gemeenschap.

Uitblinken

Hij kreeg in de veertig jaar daarna veel volgelingen met zijn muskel judentum. Vooral Oostenrijk blonk uit in sportieve joodse resultaten. Naar verhouding haalden de joodse sporters veel meer medailles op. Met name in boksen en turen werd succes behaald. De twee sporten waarin ook joodse Nederlanders zouden uitblinken.

 
Afbeelding 1:Koningin Wilhelmina reikt de gouden medailles aan de turnsters uit - Foto |IOC
  
Judikje Simons werd op 20 augustus 1904 in Den Haag geboren. Haar ouders hadden een juwelierszaak in de residentie. Zelf zag ze een andere carrière voor zich: ze ging op 19-jarige leeftijd het onderwijs in en legde zich daarnaast toe op de gymnastiek. Op de Haagse turnvereniging Olympia toonde ze haar kunsten.

Prachtkans

Judikje werd Judik en op 24-jarige leeftijd kwam er een prachtkans voorbij. Voor het eerst mochten vrouwen turnen op de Olympische Spelen. Spelen die ook nog in Amsterdam werden gehouden. Met heuse selectiewedstrijden in de lente van 1928 werd de groep gevormd die mocht deelnemen aan de Spelen. Den Haag en Amsterdam waren de twee Nederlandse turnsteden bij uitstek; de Olympische ploeg bestond uiteindelijk uit alleen maar Hof- en Hoofdstedelingen.

Zij waren vrouwen, wij waren meisjes. Zij toonden kracht, wij waren elegant en harmonieus
Carla Marangoni Italiaans turnster

Naast reserve Simons hadden ook Petrenolla Burgerhof, Jacoba Stelma, Mien van den Berg, Annie van der Vegt en Petronella van Randwijk als woonplaats Den Haag in hun paspoort staan. De selectieprocedure was streng. In het boek 'Amsterdam 1928' van sporthistoricus Jurryt van de Vooren is een interview met selectielid Alie van den Bos te lezen. 'Wij waren allemaal serieus', zei ze jaren later. 'Maar er was er een die vond het wel leuk om ’s avonds met een vriendje uit te gaan. Die is toen afgevallen.'

Olympisch Stadion

Opvallend was dat het Olympisch nummer niet in een turnhal plaatsvond, maar dat het Olympisch Stadion het decor was van de landenwedstrijden. Daarom werd er ook in de buitenlucht getraind door de dames. 'Het was hard werken', volgens Van den Bos. 'Bij ponden vielen we af.'

Turnen als Olympisch onderdeel stond nog in de kinderschoenen. Zo was er niet echt een regelgeving waar de ploegen zich aan moesten houden. In 'Amsterdam 1928' staat: 'De Nederlanders deden iets wat op gymnastiek leek, de Hongaren maakten een dansje en de Italianen waren heel gracieus in hun bewegingen.' Die gracieuze bewegingen maakten de Laarsbewoners voor de ogen van een klein groepje supporters. Turnen was niet zo populair als voetbal of atletiek. Wel was er een bijzondere fan aanwezig toen de turnsters hun kunsten toonden. Koningin Wilhelmina zat tussen het publiek.

Elegant en harmonieus

Het gebrek aan support schaadde de vrouwen niet. De Nederlandse turndames haalden goud en waren hiermee de eerste Nederlandse vrouwen die de hoogste trede van het Olympische erepodium mochten betreden. Achter de Nederlanders werden de Italianen tweede. Opvallend was dat de Italiaanse ploeg bijna volledig uit tieners bestond. Er deed zelfs een twaalfjarige mee. Dit terwijl de Nederlandse ploeg uit twintigers en zelfs een dertiger bestond. De Italiaanse gymnaste Carla Marangoni zou dan ook in 2012 zeggen: 'Zij waren vrouwen, wij waren meisjes. Zij toonden kracht, wij waren elegant en harmonieus.'

Simons ging na de spelen nog door met turnen. Daarnaast trad ze toe tot het bestuur van haar turnvereniging Olympia. Aan haar deelname aan de turnwereld kwam een einde toen ze haar toekomstige man Bernard Salomon Themans ontmoette. In 1935 trouwden ze en met deze godsdienstleraar ging ze in Utrecht wonen. Vanaf juni 1937 kreeg het echtpaar de leiding over het Centraal Israëlitisch Weeshuis aan de Nieuwegracht. Ze woonden daar en ook hun kinderen zagen daar het levenslicht.

Onderdak in Amsterdam

Tijdens de Tweede Wereldoorlog zou het weeshuis nog ruim twee jaar bestaan. Wel werden in februari 1942 al de oorspronkelijk Duits-joodse kinderen naar Westerbork overgebracht. In oktober moest het weeshuis de deuren sluiten. De overgebleven kinderen, het personeel en het gezin van Simons kregen onderdak in Amsterdam. Vier maanden konden ze nog genieten van beperkte vrijheid. Totdat ze op transport werden gezet naar Westerbork. Een reis die het einde van een jong gezin zou betekenen.

In 2010 werden ter nagedachtenis aan het gezin gedenktekens aangemaakt. In het trottoir voor het voormalige weeshuis zitten kleine, koperen plaatjes met de namen en de datum en plaats waar ze zijn vermoord.

Afbeelding 2: De gevelstenen in Utrecht - Foto | Gerardus

LEES OOK: Formule 1 in de Bollenstreek: het circuit dat er nooit kwam

Meer over dit onderwerp:
SPORTGESCHIEDENIS TURNEN
Deel dit artikel: