Dat in Veur - tegenwoordig onderdeel van Leidschendam - in 1854 de eerste voetbal op Nederlands grondgebied rolde, is een fraaie, maar eigenlijk ook triviale bijvangst. Voor Luitzen ging het in zijn promotieonderzoek vooral over de weg naar dat moment toe en wat er daarna gebeurde. 'Instituut Noorthey was een Franse school', begint Luitzen zijn betoog. Als een goed geoliede mitrailleur vuurt hij daarna zijn woorden af.

'Je moet Noorthey zien als een soort van middelbare school. In 1820, toen het instituut werd opgericht, was het onderwijssysteem anders dan nu. Het was toen nog wat diffuus gereguleerd. Je had de Latijnse school, waar kinderen op zaten die zouden gaan doorstuderen aan de universiteit. Daarnaast had je allerlei privé-initiatieven. Dat ging van kleine particuliere scholen die best prijzig waren, tot waanzinnig dure instituten. Bij die laatste groep hoorde Noorthey. De ouders betaalden collegegeld van 1200 gulden per jaar. Dat was een fortuin in die tijd. Jongens uit de elite die later vooral als handelslieden, bankiers of bestuurders zouden gaan werken, werden door hun ouders op het prestigieuze Noorthey geplaatst: een ideale plek voor toekomstige netwerken.'

Jan Luitzen | Foto: Jan Luitzen

Gymnastiek

'Vanuit de Nederlandse koopmansgeest was er ook behoefte aan moderne talen, boekhouding, rekenen en dat soort vakken. Dat zat rond 1820 niet in het standaardpakket. Noorthey-oprichter Petrus de Raadt reisde daarom eerst door Europa om zich te oriënteren. Zo bezocht hij onder andere internaten in Zwitserland, Frankrijk en Duitsland. Hij ging kijken wat op deze kostscholen de pedagogische uitgangspunten waren en hoe het onderwijscurriculum was vormgegeven. Meestal was er ook een belangrijke rol weggelegd voor sport. In ieder geval gingen de jongens twee keer per dag een uur naar buiten om zich gezamenlijk te ontspannen. Dat was met de gedachte 'een gezonde geest zit in een gezond lichaam'. De leiding van de kostscholen merkte dat als de jongens veel sportten, ze ook rustiger waren in de klas en geconcentreerder hun huiswerk maakten. Dat wilde De Raadt ook. Dat deed hij in eerste instantie door middel van gymnastiek. Op de speelplaats van landgoed Noorthey liet hij allerlei gymtoestellen plaatsen.'

'Vanaf 1824 kwamen er ook native speakers naar Veur om als inwonende leraren de buitenlandse talen te onderwijzen. Daarbij zaten ook Engelsen. Deze docenten conformeerden zich de eerste jaren aan de gangbare, Duits georiënteerde, situatie. Maar in 1845 zaten er ook drie Engelse jongens op de kostschool van wie de ouders uit de buurt van Manchester kwamen. Het gezin woonde tijdelijk in Rotterdam, omdat pa Smith in de internationale handel zat. Die drie broers Smith hebben waarschijnlijk in samenspraak met de Engelse leraar Frederick Martin Cowan hun eigen sporten cricket en hockey geïntroduceerd. Daartoe namen ze uit Engeland hun eigen cricket- en hockeymaterialen mee.'

'F, dat is footbal'

'Die Engelse docenten werden op handen gedragen. Dat weten we uit brieven, schoolkranten en verslagen die zijn overgeleverd in het Nationaal Archief in Den Haag. De leraren deden mee aan het sporten en hielden zo ook meteen toezicht op de jongens. Het sporten was dus ook disciplinerend. Cricket en hockey waren meteen blijvertjes, terwijl het voetbal af en aan werd beoefend, afhankelijk van de voorkeuren van de leraren en de generaties kostschooljongens. Zo is er een rijmpje bewaard gebleven van een leerling, Charles Enschede. Hij schreef: "F. dat is footbal, 't wordt niet vaak hier gespeeld." Kennelijk omdat de leerlingen er niet genoeg lol in hadden.'

In 1854 kwam de toen 20-jarige Henry Attwell op de school Engels doceren. Toen werd er voor het eerst voetbal op Noorthey gespeeld. Het was dus ook maar net wie de Engelse leraar was en wat zijn voorkeurssport was. 'De een vond hockey in de winter leuker en de ander hield meer van voetbal. Sowieso zijn cricket en hockey/voetbal met elkaar verbonden. Cricket was een ideale zomersport, waarbij je veel stilstond. Bij voetbal en hockey moest je meer rennen en met die sporten kon je in de winter lekker warm blijven.'

Brief als bewijs

'Ik vond heel concreet bewijs dat er in 1864 daadwerkelijk werd gevoetbald op Noorthey, onder aanvoering van de jonge Engelse leraar William Sadler. In een brief schrijft de 13-jarige Noorthey-leerling Cornelis Gülcher aan zijn vader:

'Het eerste speeluur kwam de Engelsche meester naar mij toe en zeide: “We play foot-ball today." […] Dit spel is heel goed als het koud is, daar men een groote gommelestieke bal, die met leder omwonden is en bijna 3 palm middenlijn [= ongeveer 30 centimeter, red.] heeft, moet voortschoppen.'

Gülcher zou later de burgemeester van Hilversum worden. Zijn brief is het eerste bewijs van voetbal in Nederland.'

De brief van Cornelis Gülcher uit 1864 en Cornelis Gülcher zelf | Bron: Nationaal Archief/Fotocollectie RKD

Met Kerstmis een voetbal

'Nadat voetbal een aantal keer van de agenda was verdwenen op Noorthey, werd de sport eind 1877 definitief aan het veldsportrepertoire toegevoegd. De Engelse docent John Joseph Helsdon Rix legde in een artikel in de schoolkrant uit wat het verschil was tussen rugby en voetbal en nadat hij met kerst een bal uit Engeland had meegenomen, werd het spel vanaf januari 1878 elke dag gespeeld.'

'De leerlingen van Noorthey verspreidden de Engelse sporten over Nederland. In 1863 werd de wet op het middelbaar onderwijs aangenomen, zodat de jongens na hun kostschoolperiode een diploma aan een erkende middelbare school moesten halen. Noorthey was niet diplomabevoegd en dus zag je dat de jongens, ongeveer 16, 17 jaar oud, de kostschool verlieten en door hun ouders naar steden werden gedirigeerd waar een goed gymnasium stond, zoals in Haarlem, Amsterdam of Leiden. Ze namen hun Engelse sporten daar mee naartoe en richtten sportclubjes op of profiteerden van initiatieven van anderen.'

Leidse studenten

'Zo zie je in 1871 een cricketinitiatief van oud-Noorthey-leerlingen in Amsterdam. Dat duurde ongeveer een jaar of vijf, zes en toen bloedde het cricketclubje van de twintigers dood. Waarschijnlijk omdat ze niet genoeg andere jongelui konden enthousiasmeren en zelf opgenomen werden in de familiebedrijven en gezinnen stichtten. Dan bleef er weinig tijd over voor sport. Ook in Leiden was er een initiatief, dit keer van studenten die zich verenigd hadden in een genootschap met oud-leerlingen van Noorthey. Dat ontstond in 1875 en strandde rond 1880, inclusief het cricketclubje dat ze hadden opgericht.'

Internationale cricketmatch op de Haagse Maliebaan | Tekening: Ch. Rochussen

‘Rond 1880, 1881 kwamen de eerste cricketclubjes tot stand in Haarlem, ook weer met betrokkenheid van Noorthey-leerlingen. Dan zie je dat het opeens heel snel gaat, vooral nadat er in augustus 1881 in Den Haag een demonstratiewedstrijd was geweest tussen de Engelse cricketclub Uxbridge en een Nederlands mixteam, met daarin een flink aantal ex-Noortheyenaren. Het waren vooral jongeren tussen de 13 en 17 jaar die de sporten beoefenden. Dat werd na de demonstratiematch in Den Haag – door veel jongeren bezocht – een stuk serieuzer aangepakt, met een uit hun midden gekozen president, secretaris, penningmeester, commissaris van het materieel en captain.'

Den Haag

Voor de schooljongens was Engeland het gidsland, dat een moderne mentaliteit en een gevoel van vrijheid vertegenwoordigde. De jeugd kon zich heel goed met deze Engelse cultuur identificeren, want het bood hun de kans zich te onttrekken aan het stijve en traditionele gezag van ouders en van de school. Hun teamsporten beoefenden ze met hun eigen clubjes in het bos of op afgelegen weilanden. Dat sloeg enorm aan en vanaf 1881-1882 ontstonden er veel meer cricketclubjes in steden als Den Haag, Amsterdam, Leeuwarden en Arnhem. In 1883 werd de cricketbond opgericht en vanaf 1883-1884 kwam het voetbal op, met de eerste interstedelijke voetbalwedstrijden vanaf de tweede helft 1886.'

HFC in her seizoen 1893-1894, Pim Mulier staat achter de beker | Foto: HFC

'Je had bijvoorbeeld in Haarlem het cricketclubje Rood en Zwart, opgericht in het voorjaar van 1881. Dat was een clubje jongens van het gymnasium, met onder anderen David van Lennep en Pim Mulier. Die gingen 's zomers cricket spelen en schakelden eind oktober 1881 over op het meer dynamische rugby. Na anderhalf jaar werd rugby toch als te ruw beschouwd, met name door de ouders, want de jongelui kwamen steeds met kapotte kleren thuis. Eind 1882, begin 1883 schakelden ze daarom over op het iets minder kleren verslindende voetbal. Omdat Pim Mulier tussen 1882 en 1885 in in het buitenland op de kostschool zat, werd er die jaren in Haarlem maar sporadisch gevoetbald. Vermoedelijk alleen als hij in de vakanties terug was en zijn makkers daartoe weer optrommelde.'

H.F.C.

'Rood en Zwart, dat de naam Haarlemsche Football Club was gaan voeren, leidde in de Mulier-loze jaren als club een ondergronds bestaan. Of eigenlijk was de club als zodanig gewoon opgeheven, want in juli 1884 werd Pim Mulier lid van de Haarlemse cricketclub Rood en Wit. Nadat Pim in 1885-1886 in het bestuur van Rood en Wit was gekozen, toverde hij de naam Haarlemsche Football Club weer tevoorschijn, nu als de voetbaltak van Rood en Wit. Eind 1886 speelde de H.F.C. voor het eerst onder die naam wedstrijden tegen het Amsterdamse 'Sport'. In krantenverslagen was die naam nog geen begrip, en dus nieuw, want er werd nog wel eens geschreven dat er gevoetbald was tegen Rood en Wit uit Haarlem. Vanaf 1887-1888 schoten de voetbalclubjes als paddenstoelen tevoorschijn in de grote steden. Voetbal had vaste grond gekregen in Nederland.'

LEES OOK: Hoe een zak aardappelen zorgde voor een smet op de carrière van Bertus de Harder